Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn en zonder vertegenwoordiging door een raadsman. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of het beroep ontvankelijk was. Gelet op het ontbreken van een tijdige schriftuur met middelen van cassatie door een raadsman, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon de verdachte niet worden ontvangen in het beroep.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan in een openbare terechtzitting op 12 juni 2018 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.