Belanghebbende exploiteert een jachthaven waar ligplaatsen voor zeil- en motorboten tegen vergoeding worden aangeboden. Naast ligplaatsen biedt zij voorzieningen zoals toiletten, douches, afvaldepots en onderhoudsapparatuur. Ook organiseert zij zeillessen en -wedstrijden waarvoor aparte vergoedingen worden gevraagd. Belanghebbende heeft omzetbelasting voldaan over de liggelden tegen het algemene tarief, maar stelt dat deze onder het verlaagde tarief zouden moeten vallen.
Het gerechtshof oordeelde dat de verhuur van ligplaatsen moet worden gezien als verhuur van parkeerruimte voor boten, welke niet valt onder de vrijstelling voor verhuur van onroerend goed en niet is opgenomen in de bijlage van de BTW-richtlijn die het verlaagde tarief regelt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie waarin is bepaald dat diensten die alleen het passieve verblijf van sportattributen betreffen, zoals ligplaatsen, niet kwalificeren als sportaccommodaties.
De Hoge Raad stelt dat de ligplaatsen niet bestemd zijn voor sportbeoefening zelf en dat de voorzieningen niet noodzakelijk zijn voor daadwerkelijke sportbeoefening. De verhuur van ligplaatsen vormt dus geen recht tot gebruik van een sportaccommodatie in de zin van de wetgeving. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bekrachtigd.