Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Commissie/Nederland [3] , leid ik af dat de onderhavige dienst als een enkele (niet-samengestelde) dienst moet worden beschouwd. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt voorts dat onder het begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ het recht moet worden verstaan “accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen” (zie punt 65 van
Baštová [4] ). Deze uitleg brengt mee dat enkel diensten die verband houden met het gebruik van accommodaties die
nodigzijn voor de beoefening van sport onder punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn kunnen vallen (vgl. punt 66 van
Baštová). De onderhavige terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven met de bijbehorende gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten is mijns inziens een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor de sportbeoefening, voor zover het gaat om een vaartuig dat wegens zijn objectieve kenmerken geschikt is voor de beoefening van sport. ’s Hofs andersluidende oordeel gaat mijns inziens uit van een onjuiste rechtsopvatting. De eerste drie cassatiemiddelen slagen.
3.Het geding in feitelijke instanties
HR BNB 2012/162 [12] dat aan twee cumulatieve vereisten moet zijn voldaan om het verlaagde tarief te kunnen toepassen, te weten: 1) het ter beschikking stellen van een accommodatie en 2) het bieden van gelegenheid tot sportbeoefening. Aan de eerste voorwaarde is volgens de Rechtbank voldaan, aan de tweede niet. De Rechtbank overweegt:
Fonden Marselisborg Lystbådehavn [14] wordt beschreven. Het Hof leidt uit dit arrest van het HvJ af dat de verhuur van ligplaatsen in een jachthaven – met inbegrip van het gebruik van de aangeboden faciliteiten – moet worden beschouwd als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen. Het Hof is van oordeel dat uit
Fonden Marselisborg Lystbådehavndirect volgt dat de handeling waarvoor belanghebbende de liggelden ontvangt, de verhuur van parkeerruimte voor boten is. Deze handeling, die specifiek wordt genoemd in artikel 135, lid 2, onder b, van de Btw-richtlijn, komt niet voor in Bijlage III bij de Btw-richtlijn en is volgens het Hof dus onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Naar het oordeel van het Hof heeft de richtlijngever de verhuur van parkeerruimte voor boten niet willen aanmerken als het verlenen van het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie. Het Hof oordeelt het volgende:
4.Het geding in cassatie
Commissie/Nederlandbeperkt belanghebbende haar beroep in cassatie tot de ‘terbeschikkingstelling van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken geschikt zijn voor sportbeoefening’, te weten zeilboten en snelle motorboten [16] . Belanghebbende voert vier cassatiemiddelen aan.
eerste cassatiemiddelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof (punt 4.1 van de uitspraak) dat uit
Fonden Marselisborg Lystbådehavndirect volgt dat de handeling waarvoor belanghebbende de liggelden ontvangt, de verhuur van parkeerruimte voor boten is en als zodanig is onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Belanghebbende vindt dat 1) ’s Hofs oordeel een a-contrarioredenering inhoudt die niet is gestoeld op enige jurisprudentie van het HvJ, 2) het Hof de systematiek en opbouw van de Btw-richtlijn heeft miskend, 3) het Hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door een vrijstellingsbepaling (in
Fonden Marselisborg Lystbådehavnging het om artikel 13, B, onder b, punt 2, van de Zesde richtlijn [17] , thans artikel 135, lid 2, onder b, van de Btw-richtlijn) te laten meewegen in een oordeel over de reikwijdte van een bepaling die niet ziet op een vrijstelling maar op het verlaagde tarief en 4) het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is omdat het een tegenstrijdigheid teweegbrengt in de per 1 januari 2017 gewijzigde wetgeving [18] naar aanleiding van het oordeel van het HvJ in
Commissie/Nederland.
tweede cassatiemiddelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof in punt 4.2 van zijn uitspraak dat de omstandigheid dat uit
Commissie/Nederlandkan worden afgeleid dat de verhuur van ligplaatsen in een jachthaven nauw kan samenhangen met de beoefening van de watersport, onvoldoende is om de conclusie te trekken dat de richtlijngever de handeling bestaande uit de verhuur van parkeerruimte voor boten onder omstandigheden ook als het verlenen van het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie aanmerkt. Volgens belanghebbende miskent het Hof dat het de modale consument (de leden van de vereniging) niet gaat om de loutere verhuur van de parkeerruimte, maar om het geheel aan geboden faciliteiten welke onontbeerlijk zijn voor het kunnen uitoefenen van de watersport.
derde cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening, aangezien het sporten niet plaatsvindt in de jachthaven, maar in open water. Dit oordeel is volgens belanghebbende in strijd met het arrest van de Hoge Raad inzake de “looptrainer” (
HR BNB 2012/31 [19] ).
vierde cassatiemiddeldat het Hof artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn heeft geschonden door niet ambtshalve – na behandeling van het geschil omtrent het tarief – de sportvrijstelling van toepassing te verklaren op de terbeschikkingstelling van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken wel geschikt zijn voor sportbeoefening. Belanghebbende stelt in de toelichting op dit cassatiemiddel dat, hoewel zij in bezwaar, beroep en hoger beroep geen beroep heeft gedaan op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel e, van de Wet OB, het Hof zich ambtshalve had moeten uitlaten over de toepassing van de sportvrijstelling (die immers onjuist is geïmplementeerd door de Nederlandse wetgever). In dat kader had het Hof feitenonderzoek moeten doen naar (de omvang van) het aftrekrecht van belanghebbende in de situatie dat de vrijstelling van toepassing zou zijn.
Commissie/Nederlanden de wetswijziging per 1 januari 2017 voor de onderhavige zaak. Volgens belanghebbende is geen sprake van de enkele passieve terbeschikkingstelling van ligplaatsen.
5.Het geven van gelegenheid tot sportbeoefening
Stockholm Lindöpark [23] volgt dat, zeer bijzondere omstandigheden daargelaten, de terbeschikkingstelling van een golfterrein niet kan worden aangemerkt als verhuur van onroerend goed. Het HvJ overwoog dat naast de passieve terbeschikkingstelling van een ruimte (het golfterrein) ook een groot aantal (commerciële) activiteiten wordt aangeboden, zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter, de terbeschikkingstelling van andere installaties, zodat de verhuur niet de overwegende prestatie is. Alsdan is geen sprake van de verhuur van onroerend goed, maar van een meeromvattende dienst (zogenoemde ‘verhuur plus’). Het HvJ overweegt:
HR BNB 2013/43 [25] ,over de terbeschikkingstelling van werkkamers en daarmee samenhangende serviceverlening aan prostituees, onder verwijzing naar
Stockholm Lindöparkhet volgende toetsingskader geschetst voor de beoordeling of de verhuur van onroerend goed een passieve activiteit is (cursiveringen van mijn hand):
Daarbij neemt het Hof van Justitie tot uitgangspunt dat de verhuur van onroerend goed in de regel een betrekkelijk passieve activiteit is, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, en dat deze handeling daarom moet worden onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben zoals de uitzonderingen van artikel 13, B, letter b, punten 1 tot en met 4, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 135, lid 2, letters a tot en met d, van de BTW-richtlijn 2006), ofwel een voorwerp hebben dat beter gekarakteriseerd wordt door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed, zoals het recht een golfterrein te gebruiken, het recht een brug te gebruiken tegen betaling van tolgeld, of het recht sigarettenautomaten te plaatsen in een bedrijfsruimte. Het hiervoor bedoelde passieve karakter gaat met name verloren, wanneer de andere elementen van de prestatie waarmee rekening wordt gehouden een meer dan kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van dat deel van de wederprestatie dat met het tijdsverloop verband houdt(vgl. HvJ 18 januari 2001, Stockholm Lindöpark, C-150/99, V-N 2001/11.21, punten 26 en 27, en HvJ 18 november 2004, Temco Europe SA, C-284/03, V-N 2005/21.11, punten 20 en 23).
Temco Europe [26] ,
RLRE Tellmer Property [27] ,
Field Fisher Waterhouse [28] en
Wojskowa Agencja Mieszkaniowaw Warzawie [29] . Voorts wijs ik op
Régie communale autonome du stade Luc Varenne [30] .
Fonden Marselisborg Lystbådehavnaf dat te dezen sprake is van de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en niet van het verlenen van het recht gebruik te maken van een sportaccommodatie. De belanghebbende in
Fonden Marselisborg Lystbådehavnbeheert een jachthaven en verhuurt (i) ligplaatsen voor boten in het water en (ii) winterstalling op de wal. Een ligplaats in het water wordt verhuurd voor één jaar, op maandbasis of voor een kortere periode. In het geval van verhuur voor een jaar verkrijgt de huurder ook het recht om de gemeenschappelijke havenfaciliteiten, zoals toiletten en de douches, te gebruiken. In geschil was of de activiteiten van belanghebbende als de vrijgestelde verhuur van onroerend goed kunnen worden beschouwd of dat die activiteiten onder de uitsluiting van de vrijstelling van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 135, lid 2, onder b, van de Btw-richtlijn) voor de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen moeten worden geschaard. Het HvJ oordeelt dat de betrekkingen tussen de belanghebbende en de gebruikers van ligplaatsen in het water of van plaatsen op de wal, die de hun toegewezen plaatsen voor een bepaalde tijdsduur exclusief mogen gebruiken, onder het begrip verhuur vallen. Van verhuur is op grond van vaste rechtspraak namelijk sprake indien de eigenaar van een onroerend goed onder bezwarende titel en voor een overeengekomen tijdsduur aan de huurder een recht verleent dit onroerend goed te gebruiken en ieder ander van het genot van dat recht uitsluit. Voorts oordeelt het HvJ dat de (lig)plaatsen onroerend zijn. Van groot belang voor de onderhavige zaak is de overweging in punt 45. Volgens het HvJ is de verhuur van ligplaatsen voor boten niet beperkt tot het loutere recht om de oppervlakte van het water privatief te gebruiken, maar omvat die verhuur tevens de terbeschikkingstelling van diverse havenvoorzieningen die onder meer het meren van de boot mogelijk maken, ontschepings‑ en inschepingsfaciliteiten voor de bemanning en het eventuele gebruik door deze van diverse sanitaire of andere voorzieningen. Een dergelijk ‘actiever gebruik’ van het onroerend goed valt (ook) onder de uitzonderingsbepaling van – thans – artikel 135, lid 2, onder b, van de Btw-richtlijn. A-G Kokott merkt in haar conclusie [31] bij
Fonden Marselisborg Lystbådehavnover die uitzonderingsbepaling onder meer op:
Fonden Marselisborg Lystbådehavn.In het proces-verbaal van de zitting bij het Hof op 24 augustus 2016 is daarover het volgende opgenomen:
Fonden Marselisborg Lystbådehavn. Derhalve kan als vaststaand worden beschouwd dat leden en passanten de hun toegewezen ligplaatsen voor een bepaalde tijdsduur exclusief mogen gebruiken en dat sprake is van vergelijkbare gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten. De vraag is echter welke conclusie daaruit kan worden getrokken. In
Fonden Marselisborg Lystbådehavnstond enkel de vraag centraal of sprake is van verhuur van onroerend goed en zo ja, of de van de vrijstelling uitgezonderde verhuur van parkeerruimte voor voertuigen ook ziet op boten. In die zaak was van geen belang of slechts sprake is van passieve verhuur van onroerend goed of van een meeromvattende dienst en, zo het laatste geval zich voordoet, hoe die meeromvattende dienst moet worden geduid. Die beoordeling was ook niet nodig, omdat zowel de passieve verhuur als de actieve verhuur van ligplaatsen voor boten onder de uitzonderingsbepaling valt. Het arrest geeft geen antwoord op de vraag of de onderhavige ‘actievere verhuur’ kan worden beschouwd als ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ als bedoeld in punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. In die zaak was dat simpelweg niet in geschil. Dat valt te verklaren doordat Denemarken geen verlaagd tarief kent, nu niet [32] en ook niet in het jaar waarop
Fonden Marselisborg Lystbådehavnziet (1999) [33] . Het
eerste cassatiemiddeltreft dus doel.
Fonden Marselisborg Lystbådehavnhelemaal juist is. Hij schrijft onder meer:
Baštováuitgelaten over punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. In die Tsjechische zaak is de belanghebbende, Pavlina Baštová, als belastingplichtige aangemerkt voor de exploitatie van een renstal waar zij zowel haar eigen paarden fokt en traint als paarden van derden traint. Zij ontvangt twee soorten inkomsten: (i) (een percentage van de) prijzengelden voor de rangschikking van paarden (van derden) bij aankomst in een wedren en (ii) betalingen door eigenaars van paarden voor de training van die paarden met het oog op hun deelname aan wedrennen, maar ook voor de kosten van hun stalling en voedering. De tweede betaling is voor de onderhavige zaak relevant.
bestemdvoor het passieve verblijf van paarden en niet, zoals is vereist voor het aanmerken als sportaccommodatie, voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding. Stalling en voer worden dus hooguit gezien als middelen om de paardensport te kunnen beoefenen, ter behoud van het paard en ter bevordering van het welzijn en de conditie van het dier. Het oordeel van het HvJ over de stalling van paarden zou eenvoudig kunnen worden doorgetrokken naar de terbeschikkingstelling van de onderhavige ligplaatsen. Een afzonderlijke ligplaats is immers bestemd voor het passieve verblijf van de boot, ter behoud van die boot. De plaats is niet bestemd voor de sportbeoefening en wordt daar ook niet voor gebruikt. Toch meen ik dat in de onderhavige zaak meer aan de hand is en
Baštováte dezen niet één-op-één kan worden toegepast. Ik kom daar later in deze conclusie op terug.
Baštovávolgt dat moet worden beoordeeld of een element van de dienstverlening kan worden aangewezen dat voldoet aan het begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. Als dat niet zo is, komt het verlaagde tarief niet in beeld (zie punt 67). Kan wel een element worden aangewezen dat voldoet aan dat begrip, dan moet aan de hand van de vaste rechtspraak van het HvJ over samengestelde prestaties worden bepaald of dat element als hoofdprestatie of als bijkomende prestatie moet worden gekenmerkt (punten 70 en 71 van het arrest). AIs het niet mogelijk is één enkele hoofdprestatie aan te wijzen, dan moeten de elementen van de prestatie als gelijkwaardig worden beschouwd (punt 72). Het HvJ overweegt in dit verband:
Baštováis dat het uitgangspunt van de verwijzende rechter was dat sprake is van één enkele samengestelde dienst die bestaat uit drie elementen: (i) de training van de paarden, (ii) het gebruik van sportaccommodaties, en (iii) de stalling van de paarden in een renstal, de voedering en andere verzorging van de paarden. Het HvJ acht dat een logisch uitgangspunt, omdat paardeneigenaren Baštová vragen een combinatie van juist die drie prestaties te verrichten. Het HvJ ziet hier twee mogelijkheden, die de nationale rechter nog moet onderzoeken:
Město Žamberk [35] , waar net als in
Baštovásprake was van een samengestelde dienst [36] , heeft het HvJ overwogen dat de bewoordingen van de vrijstellingen van artikel 132 Btw Pro-richtlijn strikt moeten worden uitgelegd (punt 19) en dat die uitleg moet plaatsvinden in het licht van hun context, de doelstellingen en de algemene opzet van de Btw-richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de ratio legis van de betrokken vrijstelling (punt 20). Gelet op de bewoordingen van de vrijstelling, is het niet de bedoeling van deze bepaling dat slechts bepaalde soorten sport in aanmerking komen voor de vrijstelling (punt 21). Evenmin is vereist dat de sportactiviteit op een bepaald niveau wordt beoefend – bijvoorbeeld op professioneel niveau – of dat de betrokken sportactiviteit op een bepaalde manier wordt beoefend, te weten op regelmatige basis, in georganiseerd verband of met het oog op deelneming aan sportcompetities (punt 22). Deze bepaling beoogt de beoefening van sport of lichamelijke opvoeding door brede lagen van de bevolking te bevorderen (punt 23). Het HvJ overweegt in min of meer gelijke zin waar het gaat om de uitleg van punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. In
Baštováoverwoog het HvJ namelijk dat de bepalingen van Bijlage III strikt moeten worden uitgelegd (punt 59), dat de begrippen van deze bijlage overeenkomstig de gebruikelijke betekenis van de betrokken woorden moet worden uitgelegd (punt 60) en dat de onderhavige mogelijkheid voor toepassing van een verlaagd tarief in wezen ertoe strekt sportbeoefening te bevorderen en voor particulieren toegankelijker te maken (punt 64). Het ligt dan ook in de rede de uitleg die het HvJ aan het begrip ‘sport en lichamelijke opvoeding’ als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn geeft ook toe te passen op het begrip ‘sportaccommodaties’ in punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. Het HvJ bevestigt immers in
Baštovádat een sportaccommodatie een accommodatie is die voor ‘sportbeoefening en lichamelijke opvoeding’ is bestemd en voor dat doel wordt gebruikt.
Commissie/Nederlandwordt duidelijk in welke gevallen de vaartsport als sportbeoefening kan worden beschouwd. Uit dat arrest volgt dat de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn niet ziet op de verhuur van een ligplaats (en bergplaats) voor vaartuigen die wegens hun objectieve kenmerken als de vorm, de snelheid, de wendbaarheid, het gewicht of de afmetingen ervan niet geschikt zijn voor de beoefening van sport. Ik begrijp uit dit arrest, met name de punten 28 en 29, dat het gebruik van vaartuigen die wegens hun objectieve kenmerken wel geschikt zijn voor de beoefening van sport, onder de vrijstelling kunnen vallen. Naar aanleiding van dit arrest heeft Nederland artikel 11, lid 1, onderdeel e, aanhef en 2°, van de Wet OB per 1 januari 2017 aangepast. [37]
Město Žamberkleid ik af dat de nationale rechter, om vast te stellen of een samengestelde prestatie onder artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn valt, rekening dient te houden met het feit of de accommodatie zich leent voor de beoefening van de sport als zodanig, dan wel aldus is ingericht dat het in hoofdzaak voor recreatief gebruik is bestemd. Het feit dat een bepaald aantal gebruikers niet voornemens is gebruik te maken van de accommodatie op een manier waarvoor deze bestemd is, is daarbij niet van belang. Het arrest betreft een gemeentelijk aquapark met onder meer een zwembad, kikkerbad, waterglijbanen, massage bad, terrein voor strandvolleybal en tafeltennislokalen.
Commissie/Nederlandheeft Nederland onder verwijzing naar
Město Žamberkaangevoerd dat de betrokken diensten hoe dan ook van de btw moeten worden vrijgesteld, zodra de verhuur van een lig- of bergplaats betrekking heeft op vaartuigen die zowel voor de beoefening van sportactiviteiten of voor lichamelijke opvoeding als voor recreatie en ontspanning kunnen worden gebruikt (zie punt 15 van het arrest). Dat zag Nederland volgens het HvJ echter helemaal verkeerd:
Fonden Marselisborg Lystbådehavn, meen ik dat het HvJ ook in dat arrest als uitgangspunt hanteert dat sprake is van een enkele (niet-samengestelde) ‘ligplaatsprestatie’. Nu moet worden opgemerkt dat in
Commissie/Nederland, anders dan in
Fonden Marselisborg Lystbådehavn, niet expliciet is vermeld dat – naast de terbeschikkingstelling van ligplaatsen – gebruik kon worden gemaakt van gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten. Uit punt 45 van
Fonden Marselisborg Lystbådehavnleid ik af dat dat volgens het HvJ bij de verhuur van een ligplaats voor zich spreekt.
HR BNB 2012/30 [43] , over het verzorgen van zeil- en surfarrangementen voor kinderen, oordeelde hof Leeuwarden dat een accommodatie op de wal met de daarbij behorende voorzieningen (sanitair, douche- en kleedruimten en dag- en overnachtingsverblijven) en het aangrenzende water waarop gevaren wordt, te weten een jachthaven en – daarbuiten – het gemarkeerde vaarwater, voor de duur van de sportbeoefening zijn gereserveerd voor die sportbeoefening, en dat een zodanige infrastructuur valt onder het begrip sportaccommodatie. Volgens de Hoge Raad geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hieraan doet niet af dat het zeilen en surfen mede plaatsvindt op het grote water. De vraag is in hoeverre voor dit oordeel van belang is dat het vaarwater is gemarkeerd (afgebakend met boeien en vlotten) en voor de duur van de sportbeoefening is gereserveerd voor die sportbeoefening. In het zogenoemde wandelvierdaagse-arrest [44] oordeelde de Hoge Raad dat een infrastructuur bestaande uit een terrein van aankomst en vertrek met de daarbij behorende voorzieningen (kleedkamers, douches), alsmede de parcoursen die de sportbeoefenaars afleggen en die voor de duur van de sportbeoefening zijn gereserveerd voor die sportbeoefening moet worden aangemerkt als sportaccommodatie. Ook in dat arrest is dus sprake van een afbakening van het parcours waar gesport wordt.
HR BNB 2012/162voeren door een openbaar nationaal park. Uit deze nationale rechtspraak leid ik af dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een (sport)accommodatie dus niet van (doorslaggevend) belang dat een openbare ruimte voor de duur van de sportbeoefening is gereserveerd voor die sportbeoefening. [45] Zolang er maar een locatie is die is ingericht op het beoefenen van de sport zelf en/of wordt gebruikt voor het verblijf van de deelnemers met het oog op het zich gereed maken voor het beoefenen van de sport en/of het beëindigen daarvan.
Město Žamberken
Commissie/Nederland.
Commissie/Nederlandéén-op-één kan worden toegepast bij de uitleg van punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. Ik heb mij afgevraagd wat daartegen kan worden ingebracht. Ik ben niet verder gekomen dan het argument dat artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn vereist dat een ‘nauwe samenhang’ bestaat tussen de dienst en de sportbeoefening, terwijl uit de rechtspraak van het HvJ over de toepassing van de onderhavige tabelpost volgt dat het bij het ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ moet gaan om een accommodatie die is bestemd voor de sportbeoefening (punt 65
Baštová). De accommodatie moet ‘nodig’ [46] zijn
voorde sportbeoefening (punt 66
Baštová).
Baštováworden begrippen gebruikt die overeenkomen met de term ‘nodig’, te weten: ‘necessary’, ‘nécessaires’, ‘nötig’, ‘necessari’, ‘necessario’. In een aantal andere arresten, die overigens niet het verlaagde tarief van punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn betreffen maar vrijstellingen, worden de laatstgenoemde begrippen ook wel gebruikt in de betekenis van ‘noodzakelijk’. Hoewel ‘noodzakelijk’ naar mijn idee een nuance sterker is dan ‘nodig’ (volgens de Van Dale betekent ‘noodzakelijk’: werkelijk nodig), gebruikt het HvJ deze begrippen door elkaar; in het Engels: ‘essential’ en ‘necessary’, in het Spaans: ‘indispensable’ en ‘necesario’, in het Duits ‘erforderlich’ en ‘nötig’ en in het Italiaans ‘indispensabile’ en ‘necesario’. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de verschillende taalversies van
Commissie/Duitsland [47] , punten 31, 36 en 48.
Commissie/Duitslandoverweegt het HvJ dat het begrip ‘nauw samenhangende’ diensten in de zin van de onderwijsvrijstelling moeten worden uitgelegd als ‘rechtstreeks noodzakelijke’ diensten:
Bridport and West Dorset Golf Club [48] overwoog het HvJ dat de toegang tot een golfterrein ‘noodzakelijk’ is om deze sport te beoefenen, zodat is voldaan aan het ‘nauwe-samenhangvereiste’ (cursivering CE):
noodzakelijkis om deze sport te beoefenen, hangt de dienst bestaande in het verlenen van het recht op gebruik van een golfterrein
nauw samenmet de beoefening van sport in de zin van artikel 132, lid 1, sub m, van Richtlijn 2006/112, los van de vraag of de betrokken persoon op regelmatige basis, in georganiseerd verband of met het oog op deelneming aan sportcompetities golf speelt.”
Commissie/Nederlandeen inbreukprocedure betreft, zodat het HvJ zich niet expliciet heeft uitgelaten over een concrete situatie als de onderhavige, doch slechts over de vraag of Nederland de sportvrijstelling juist heeft geïmplementeerd, kan daaruit in mijn optiek worden afgeleid dat een dienst als de onderhavige nauw samenhangt met sportbeoefening voor zover het een vaartuig betreft dat wegens zijn objectieve kenmerken geschikt is voor de beoefening van sport. Nu ‘nauw samenhangen’ moet worden uitgelegd als ‘rechtstreeks noodzakelijk’ is de conclusie gerechtvaardigd dat te dezen sprake is van een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor de sportbeoefening voor zover het gaat om een ‘sportvaartuig’. Dat de daadwerkelijke sportbeoefening op open water plaatsvindt, doet – mede gelet op de eerdergenoemde rechtspraak van de Hoge Raad – niet aan deze conclusie af. Het wonderlijke resultaat dat per ligplaats moet worden bepaald of deze al dan niet wordt gebruikt voor een vaartuig dat geschikt is voor de sportbeoefening, staat evenmin aan deze conclusie in de weg. Het bezwaar dat Nederland aanvoerde tegen een dergelijke beoordeling per ligplaats werd in
Commissie/Nederlandte licht bevonden. Ik zie niet in waarom voor de toepassing van het verlaagde tarief wel gewicht moet worden toegekend aan dat bezwaar. In de onderhavige zaak hebben partijen overigens al praktische invulling gegeven aan dat bezwaar door een afspraak te maken over de verdeling van de omzet die met de ligplaatsen wordt behaald (2/3e deel heeft betrekking op liggelden voor zeilboten en 1/3e deel op liggelden voor motorboten; zie 2.4 van deze conclusie).
tweede en derde cassatiemiddelslagen.
Commissie/Nederlandvolgt dat de verhuur van lig- en bergplaatsen een enkele (niet-samengestelde) dienst is. Beoordeeld moet worden of deze dienst voldoet aan het begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat dat begrip het recht betreft accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen (zie punt 65
Baštová). Deze uitleg brengt dat enkel diensten die verband houden met het gebruik van een accommodaties die
nodigzijn voor de beoefening van de vaarsport onder punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn kunnen vallen (vgl. punt 66 van
Baštová). In punt 5.33 concludeerde ik dat te dezen sprake is van een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor de sportbeoefening. ’s Hofs andersluidende oordeel gaat mijns inziens uit van een onjuiste rechtsopvatting. Ik concludeer dat de eerste drie cassatiemiddelen slagen en tot cassatie leiden. Teruggaaf dient plaats te vinden van een bedrag van € 16.501 aan teveel op aangifte voldane omzetbelasting.
Toepassing vrijstelling voor diensten door organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen aan hun leden
HR BNB 2003/213 [52] dat voor zover de in het beroepschrift in cassatie aangevoerde klachten berusten op feiten waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, deze klachten niet tot cassatie kunnen leiden, omdat behandeling van die klachten in zoverre een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is:
vierde cassatiemiddelfaalt derhalve.