Uitspraak
gevestigd te Bursa, Turkije,
gevestigd te Ankara, Turkije,
gevestigd te München, Duitsland,
gevestigd te Istanbul, Turkije,
gevestigd te Adapazari, Turkije,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 6 juni 2012 op verzoek van Güriş c.s. verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis.
Wordt echter het vonnis voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging, aan de wederpartij betekend, dan kan die partij, ongeacht het verstreken zijn van de hiervoor genoemde eerste termijn, alsnog binnen drie maanden na deze betekening de vordering tot vernietiging instellen (hierna: de tweede termijn).
Uit de formulering van de bepaling, en in het bijzonder uit het gebruik van de woorden “binnen” en “na”, volgt dat de vordering uitsluitend tijdens het lopen van deze tweede termijn kan worden ingesteld, en niet ook voorafgaand daaraan (vgl. HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA4945, NJ 1998/207 (Eco Swiss/Benetton), rov. 5.2 slot). Deze lezing sluit aan bij hetgeen in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt over de ratio van de tweede termijn, te weten dat de vordering tot vernietiging – naast de mogelijkheid van herroeping – het enige rechtsmiddel is tegen het verlenen van een verlof tot tenuitvoerlegging, en dat zonder de tweede termijn geen vernietiging meer zou kunnen worden gevraagd als verlof wordt verleend na afloop van de eerste termijn (Kamerstukken II 1985/86, 18464, nr. 6, p. 36-37). Op dezelfde grond is de tweede termijn gehandhaafd in het huidige art. 1064a lid 2 Rv (Kamerstukken II 2013/14, 33611, nr. 6, p. 12). Ook de literatuur gaat ervan uit dat de vordering tot vernietiging alleen binnen de tweede termijn kan worden ingesteld, en niet voorafgaand daaraan, afgezien van het geval dat de eerste termijn nog loopt (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.22-2.28). De opvatting van het onderdeel strookt dus niet met de wettekst en de parlementaire geschiedenis. Die opvatting zou bovendien tot het onwenselijke resultaat leiden dat de ontvankelijkheid van een vordering tot vernietiging zou afhangen van het subjectieve criterium dat voldoende duidelijk is dat tot tenuitvoerlegging zal worden overgegaan.
Daarbij komt dat Güriş c.s. tijdens de procedure bij de rechtbank – tijdens welke de termijn van drie maanden na betekening verstreek – geen beroep hebben gedaan op niet-ontvankelijkheid, aldus het onderdeel.
4.Beslissing
15 juni 2018.