Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
19 juni 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen en het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, maar de Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Ook het verweer dat het stroomstootwapen onrechtmatig was gevonden, werd verworpen.
Op basis van artikel 80a RO en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 19 juni 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.