Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, zoals omschreven in artikel 341, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte eerder veroordeeld, waarna hij in cassatie ging bij de Hoge Raad.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was, omdat de middelen geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, samen met raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien. Het beroep werd verworpen, waarmee de eerdere uitspraak van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.