Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte was aanwezig in een woning waar ongeveer 27 gram amfetamine lag tijdens een feestje met drugsgebruik. Hij betaalde een onkostenvergoeding aan de vrouw van het huis en verklaarde dat hij alle drugs mocht gebruiken die aanwezig waren.
Het hof concludeerde dat de amfetamine zich in de machtssfeer van de verdachte bevond, waarmee sprake was van medeplegen. De verdachte stelde een bewijsklacht in over het 'aanwezig hebben' van de drugs, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel geen cassatiegrond opleverde.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte medepleger was, omdat hij actief deelnam aan het drugsgebruik en de drugs open en bloot in de ruimte lagen. Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van amfetaminebezit.