Conclusie
‘1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 18 juli 2016, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
2.
Het proces-verbaal van binnentreden in de woning d.d. 6 april 2016 (…), voor zover inhoudende het verslag van [verbalisant 1] :
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] , met daarbij gevoegd (…) een overzicht met in beslag genomen goederen:
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] , met daarbij gevoegd (…) een overzicht met in beslag genomen goederen:
9.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
10.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2016 (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
11.
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 2 mei 2016, (…), opgemaakt door de NFI-deskundige Ing. A.G.A. Sprong (…), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde rapporteur:
eerstemiddel keert zich met verschillende klachten tegen de bewijsvoering van het onder 1 bewezen verklaarde ‘voorhanden hebben’ van twee vuurwapens en munitie en betoogt in het bijzonder dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte zich ‘in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid’ van de verboden wapens en munitie in de buddyseats van twee scooters in een garagebox. Voorts betogen de stellers van het middel dat het hof ‘niet deugdelijk, althans onvoldoende begrijpelijk’ heeft gereageerd op een inzake die bewustheid gevoerd vrijspraakverweer.
NJ2011/287 was het wapen aangetroffen in een metalen kast in een kantoorruimte van een rijwielhandel. De verdachte was de eigenaar van die rijwielhandel. In hoger beroep was het verweer gevoerd dat ‘diverse personen, ook op de vele momenten dat cliënt niet aanwezig was, toegang tot die plek hadden’. Een kenmerkend verschil met de onderhavige zaak is dat het gerechtshof heeft beargumenteerd dat en waarom de verklaring van de verdachte dat de sleutels van de scooters onder het voorwiel lagen niet aannemelijk is. Daar komt bij dat het op voorhand al aannemelijker is dat tal van personen in een magazijnkast in een kantoorruimte kunnen komen, dan dat tal van personen naar believen van (de afgesloten buddyseat van) een scooter gebruik kunnen maken en daar aan hen toebehorende wapens in verstoppen.
,ECLI:NL:HR:2003:AF7985
, NJ2004/165, m.nt. Reijntjes gestelde eisen.
tweedemiddel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 4. Uit de bewijsvoering zou niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de LSD-zegels ‘in de buddyseat van een Sym bromfiets’. Het hof zou onvoldoende begrijpelijk hebben gereageerd op het vrijspraakverweer vanwege het ontbreken van wetenschap. En ten aanzien van een onderdeel van de nadere bewijsoverweging zou het hof hebben nagelaten te vermelden uit welk wettig bewijsmiddel nader te noemen feiten en omstandigheden worden afgeleid.