De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen poging diefstal en een gevangenisstraf van vijf weken opgelegd kreeg, naast de last tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.
Het hof had de tenuitvoerlegging gelast en geweigerd deze om te zetten in een taakstraf, op grond van artikel 22b Sr in samenhang met artikel 14g Sr. De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie en benadrukt dat bij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden vastgesteld of aan de voorwaarden van artikel 22b, tweede lid, Sr is voldaan, met name of in de vijf jaren voorafgaand aan het feit een taakstraf wegens een soortgelijk feit is opgelegd en of deze is verricht.
Het hof heeft dit kennelijk niet voldoende gemotiveerd, omdat niet is vastgesteld dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het feit een taakstraf wegens een soortgelijk feit heeft gekregen, noch blijkt dit uit het uittreksel justitiële documentatie. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.