Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van lokaalvredebreuk. In cassatie stelde de verdachte dat het hof ten onrechte bewijsvoering had aangevuld met proces-verbaal zonder de inhoud daarvan te vermelden in het arrest. De Hoge Raad overwoog dat het hof de aanvullende bewijsstukken alsnog had opgemaakt conform artikel 365a, tweede lid, Sv, hoewel de termijn daarvoor ruimschoots was overschreden. Deze overschrijding leidt echter niet tot nietigheid van het vonnis of de aanvulling.
De Hoge Raad achtte de middelen van cassatie niet ontvankelijk omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal was eveneens tot verwerping van het beroep. Het arrest van het hof Amsterdam bleef daarmee in stand.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 25 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen lokaalvredebreuk.