Conclusie
“Vonnis waarvan beroep
Bewijsoverwegingen
Aanvulling bewijsmiddelen
proces-verbaal van bevindingenmet nummer 2015101964-94 van 5 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar
[verbalisant 4](doorgenummerde pag. 70-82).
Proces-verbaal vaststellen identiteitvan 4 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 105/106).
verbalisantvoor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Proces-verbaal van bevindingenmet nummer 2015101964-99 van 4 mei 2015, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. 68).
niet herkendop de bewakingsbeelden die zijn gemaakt op 3 mei 2015, in het perceel [a-straat 1] te Amsterdam.
Proces-verbaal van verhoorgetuige [verbalisant 4] bij het kabinet raadsheer-commissaris van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 april 2017.
Vrijspraak (i)
stillsvan de camerabeelden. Om die reden dient cliënt te worden vrijgesproken.”
Herkenning van de verdachte
nietheeft herkend. De verdachte is niet één van de niet-herkende personen. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte bij zijn verhoor de met zijn identiteitsbewijs overeenkomende personalia heeft opgegeven en dat blijkens bewijsmiddel 9 de op het identiteitsbewijs afgebeelde persoon en de ingesloten verdachte dezelfde persoon zijn. Het hof constateert ook zelf dat de in het dossier aanwezige foto van het identiteitsbewijs ten name van de verdachte sterk overeenkomt met de in het dossier opgenomen
stillsvan videobeelden. Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet afdoet dat verbalisant [verbalisant 4] zich twee jaar later niet meer kan herinneren of hij de verdachte destijds heeft herkend door de (
stillsvan) videobeelden te vergelijken met het identiteitsbewijs van de verdachte dan wel met het gezicht van de verdachte zoals door [verbalisant 4] waargenomen bij het visueel contact. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en bovendien nauw verweven met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard, zodat het zich voor nadere toetsing in cassatie niet leent.
stills,zonder dat blijkt of dit een constatering van de opsteller van het proces-verbaal of een constatering van het gerechtshof zelf is. Dit zou temeer klemmen omdat het hof in de hoofdtekst “slechts” heeft geoordeeld dat de foto op het identiteitsbewijs
sterk overeenkomtmet de persoon op een aantal
stills.
stills. De voetnoot heeft onmiskenbaar tot functie de informatie in de hoofdtekst controleerbaar te maken door te concretiseren op welke
stillshet hof het oog heeft. Met de term “herkenbaar” in die voetnoot geeft het hof geen oordeel over de precieze mate van overeenkomst tussen de foto’s, maar brengt het slechts tot uitdrukking welke
stillsvoor de nadere bewijsoverweging relevant zijn, te weten die op de pagina’s 73 en 75.
stillsvan de videobeelden zichtbare persoon. Deze klacht berust op de opvatting dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad moet worden afgeleid dat de rechter zich niet kan beroepen op een eigen waarneming die niet is vervat in een bewijsmiddel.
NJ2004/165, m.nt. Reijntjes. In deze uitspraak zette de Hoge Raad uiteen in hoeverre in nadere bewijsoverwegingen acht kan worden geslagen op niet in gebezigde bewijsmiddelen vermelde gegevens. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, overwoog de Hoge Raad:
4.2 Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus — al dan niet in reactie op een bewijsverweer — beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
a. die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
b. het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.”
nietin de gebezigde bewijsmiddelen zijn vermeld. In zulke gevallen kan de rechter het wettelijk bewijsstelsel niet omzeilen door in een nadere bewijsoverweging feiten en omstandigheden vast te stellen die niet berusten op een wettig bewijsmiddel in de zin van art. 339, eerste lid, Sv. Daarom moet met voldoende nauwkeurigheid worden aangegeven welk bewijsmiddel de basis voor de vaststelling vormt. De opvatting dat dat wettige bewijsmiddel ook in de uitspraak moet zijn opgenomen, is echter onjuist.
stills, heeft het hof voldaan aan de vereisten waarvan het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2003 rept. Reeds daarom is de derde klacht vruchteloos voorgesteld.