Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd verdacht van poging gekwalificeerde diefstal door woninginbraak waarbij een raam werd ingeslagen en een poging tot woningbraak waarbij glas van een balkondeur werd gebroken en de deur werd geforceerd.
In cassatie werden middelen aangevoerd over de bewijsvoering, met name over de DNA-match tussen sporen op de plaats delict en de verdachte, en de stelling dat niet uitgesloten kon worden dat het aangetroffen celmateriaal (bloed) niet van de dader afkomstig was. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.