Conclusie
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming”en
“poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr.
eerste middelkomt erop neer dat het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging inzake de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, te weten dat de match tussen het DNA van de sporen en het DNA van de verdachte onvoldoende is om te concluderen dat het aldaar aangetroffen DNA van de verdachte afkomstig is.
DNA-match en de bewijswaarde
De Essenties van forensisch biologisch onderzoek, [5] betoogd dat een DNA-deskundige geen absolute uitspraak doet over de herkomst van een biologische spoor, omdat het doen van een dergelijke uitspraak niet mogelijk is. Immers, niet aangenomen mag worden dat een DNA-profiel, hoe zeldzaam ook, uniek is. Bij het bepalen van de zeldzaamheid van een DNA-profiel wordt de mogelijkheid van bloedverwantschap buiten beschouwing gelaten. Bovendien kan een match berusten op fouten in de keten van onderzoek.
iederevorm van DNA-bewijs ten laste van de verdachte, omdat de genoemde argumenten in alle gevallen opgaan. Een DNA-deskundige doet (als hij zijn vak verstaat) nooit uitspraken over de identiteit van de bron van het spoor. De DNA-deskundige doet in essentie niets anders dan (1) vaststellen of de onderzochte DNA-kenmerken van een biologisch spoor corresponderen met de onderzochte DNA-kenmerken van biologisch referentiemateriaal, en in geval van een volledige overeenkomst van die kenmerken (een zogeheten ‘match’), afhankelijk van de aard en het aantal van de overeenkomende DNA-kenmerken, (2) de zeldzaamheid schatten van de combinatie van deze DNA-kenmerken in de DNA-profielen van de leden van een bepaalde populatie. Een DNA-match verschaft in géén geval zekerheid over de herkomst van het biologische spoor. In geval van een match verschaft de DNA-deskundige hooguit inlichtingen over de vraag naar de waarschijnlijkheid dat een willekeurig gekozen persoon die niet verwant is met de verdachte beschikt over een DNA-profiel dat overeenkomt met dat van het spoor (en de verdachte).
tweede middelklaagt dat het hof onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan een bewijsverweer inzake het onder 2 bewezenverklaarde feit, te weten dat niet uitgesloten is dat het op de plaats delict aangetroffen celmateriaal (bloed) geen daderspoor betreft.
Feit 2: DNA daderspoor?
mogelijkheiddat de sporendrager “
anders dan door toedoen van de verdachte op de plaats delict is achtergebleven”, zoals de rechtbank Amsterdam in het door de verdediging geciteerde vonnis overwoog, niet het sluitstuk van een redenering. Daarna volgt logischerwijze de vraag hoe
waarschijnlijkhet is dat de sporendrager anders dan door toedoen van de verdachte op de plaats delict is achtergebleven. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter alle omstandigheden van het geval moeten betrekken.