Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, waarin verlof werd verleend op grond van art. 552p, tweede lid, Sv, tot het doorzoeken, in beslag nemen en overdragen van stukken van overtuiging aan Duitse justitiële autoriteiten in een lopend onderzoek naar belastingfraude.
De betrokkene klaagde dat de rechtbank ten onrechte dit verlof had verleend. De Hoge Raad heeft de middelen van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen door de Hoge Raad werd gevolgd. De beschikking werd gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 2 juli 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlof tot overdracht van stukken aan Duitse autoriteiten blijft gehandhaafd.