ECLI:NL:PHR:2019:523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing Europees Verdrag wederzijdse rechtshulp bij Duits verzoek tot doorzoeking en overdracht bewijsmiddelen
In deze zaak gaat het om een verzoek van Duitse justitiële autoriteiten uit oktober 2016 tot doorzoeking en overdracht van bewijsmiddelen in een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude, waarbij de betrokkene betrokken is. De rechtbank Gelderland verleende op 9 maart 2018 verlof aan de officier van justitie om de in beslag genomen stukken, waaronder een USB-stick, aan Duitsland over te dragen.
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking met twee middelen: (1) de rechtbank zou ten onrechte het Duitse verzoek als een rechtshulpverzoek op grond van het Europees Verdrag (ERV) hebben aangemerkt in plaats van een Europees Onderzoeksbevel (EOB), en (2) de rechtbank zou onvoldoende hebben gemotiveerd dat het verleende verlof betrekking had op de inbeslaggenomen stukken, met name de USB-stick.
De Procureur-Generaal concludeert dat het middel dat stelt dat het verzoek een EOB zou zijn, feitelijk niet juist is omdat de Duitse stukken duidelijk spreken van een rechtshulpverzoek (Rechtshilfeersuch) en niet van een EOB. De Nederlandse vertaling gebruikte abusievelijk de term EOB. Ook is het onwaarschijnlijk dat een EOB was uitgevaardigd, omdat de Duitse implementatiewet pas in mei 2017 in werking trad, na het verzoek. De rechtbank heeft terecht het ERV als grondslag gehanteerd.
Ten aanzien van het tweede middel merkt de Procureur-Generaal op dat de rechtbank voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het verlof betrekking heeft op de inbeslaggenomen USB-stick, die als stuk van overtuiging geldt. De klachten falen dan ook. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlof tot overdracht van de inbeslaggenomen bewijsmiddelen aan Duitse autoriteiten blijft gehandhaafd.