Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan twee criminele organisaties die zich bezighielden met het vervalsen van documenten, oplichting van zorgkantoren en zorgverzekeraars, en witwassen via het PGB-systeem en zorg in natura. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden.
In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder een bewijsklacht en de vraag of uit het bewijsmateriaal kon worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van het criminele oogmerk van de organisaties. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot de vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafmaat en vermindering van de gevangenisstraf tot 38 maanden.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van veertig naar achtendertig maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.