Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door klaagster tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland inzake een klaagschrift op grond van artikel 1:37 van Pro de Algemene Douanewet. Het beklag had betrekking op het beslag op een auto die was voorzien van verborgen ruimten, kennelijk ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.
Klaagster stelde onder meer dat het beklag ongegrond was verklaard en dat zij niet in de gelegenheid was gesteld om de inspecteur van de Douane te horen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de beschikking van de Rechtbank Noord-Holland. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.