Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Feiten
NJ2020/239 m.nt. De Bont heeft geformuleerd. [4] Deze overwegingen luiden als volgt:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam waarin het klaagschrift van de klager tegen het beslag op zijn auto wegens een verborgen ruimte werd ongegrond verklaard. De auto was op 16 november 2018 in beslag genomen op grond van artikel 1:37 Algemene Pro Douanewet (Adw). De rechtbank oordeelde dat de auto was ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken en dat het beslag daarom terecht was.
De klager had in het klaagschrift ook subsidiair verzocht om een geldelijke tegemoetkoming, omdat hij door het vervallen van zijn eigendom aan de Staat onevenredig zwaar zou worden getroffen, mede met verwijzing naar het Eerste protocol bij het EVRM. De rechtbank heeft echter nagelaten dit verzoek gemotiveerd te beoordelen en toe te wijzen of te weigeren.
De Hoge Raad herhaalt de relevante wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie, waaronder dat de rechter op grond van art. 33c, tweede lid, Sr een geldelijke tegemoetkoming kan toekennen als de eigenaar onevenredig wordt getroffen. De rechtbank had moeten motiveren waarom zij geen toepassing gaf aan deze bepaling. Omdat dit ontbrak, vernietigt de Hoge Raad het deel van de beschikking dat het verzoek om geldelijke tegemoetkoming betreft en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling.
Daarnaast is in het dossier vermeld dat de auto inmiddels is gesloopt, hetgeen bij de herbeoordeling ook kan worden betrokken, onder meer in verband met mogelijk voordeel dat de Staat heeft verkregen. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld en ontvankelijk verklaard. De overige klachten worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de beschikking dat niet beslist op het verzoek om geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.