Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2006. Namens verdachte diende advocaat R.P. Snorn een middel van cassatie in, maar trok dit middel bij brief van 6 februari 2018 in. De Advocaat-Generaal concludeerde daarop dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.
De Hoge Raad overwoog dat nu het middel is ingetrokken, de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2001:AD4299). Op 29 januari 2019 verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea. De uitspraak vond plaats tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens intrekking van het middel.