ECLI:NL:HR:2001:AD4299

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01138/01 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Uitleveringswet
Verwijzingen
1 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie bij uitleveringsverzoek aan Duitsland

De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Haarlem die uitlevering aan Duitsland toelaatbaar verklaarde voor strafvervolging. De opgeëiste persoon had via haar advocaten een cassatiemiddel ingediend, maar dit middel werd later ingetrokken. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de uitlevering betrof, met opnieuw rechtdoen waarbij uitlevering alsnog toelaatbaar werd verklaard.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat door de intrekking van het enige cassatiemiddel geen middel meer resteerde. Hierdoor kon de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad verklaarde daarom het beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de uitlevering aan Duitsland.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 30 oktober 2001. De zaak illustreert de procedurele vereisten bij cassatie en de gevolgen van intrekking van middelen in uitleveringszaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk in het cassatieberoep tegen uitlevering aan Duitsland.

Uitspraak

30 oktober 2001
Strafkamer
nr. 01138/01 U
KD/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 22 mei 2001, nummer 15/700009-01, op een verzoek van Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Columbia) op [geboortedatum] 1952, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Breda.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [de opgeëiste persoon] ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
2.2. Bij brief van 19 juli 2001 heeft mr. Ficq-Kengen bericht het ingediende middel in te trekken.
2.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin de uitlevering van [betrokkene A] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar is verklaard, met verwerping van het beroep voor het overige, en dat de Hoge Raad, opnieuw rechtdoende, verstaat dat de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar is.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Namens de opgeëiste persoon is door haar raadslieden een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. Dit middel is nadien door die raadslieden namens haar ingetrokken. De opgeëiste persoon heeft weliswaar in overeenstemming met art. 31, vierde lid, Uitleveringswet vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door haar raadslieden een schriftuur houdende middelen van cassatie doen indienen. Dit brengt evenwel mee dat, indien als gevolg van de intrekking van een of meer middelen geen middel van cassatie meer resteert, de opgeëiste persoon in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Slotsom
Uit het vorenstaande volgt dat de opgeeëiste persoon in haar beroep niet-ontvankelijk in het beroep.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier M.I. Veldt-Foglia, en uitgesproken op 30 oktober 2001.