De zaak betreft een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen een stichting die onderwijs verzorgt en een door die stichting opgerichte besloten vennootschap (bv) die schoonmaak- en facilitaire diensten levert aan de stichting. De Inspecteur beëindigde de fiscale eenheid per 1 januari 2013, waarna de bv omzetbelasting aangaf en betaalde, maar bezwaar maakte tegen deze heffing omdat zij meende dat de fiscale eenheid voortduurde.
De rechtbank en het hof stelden vast dat de bv en de stichting in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar verweven zijn dat zij een fiscale eenheid vormen. Het hof oordeelde dat economische verwevenheid ook kan bestaan als de stichting voornamelijk niet-economische activiteiten verricht, zolang de bv haar prestaties uitsluitend ten behoeve van de stichting verricht.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat economische verwevenheid niet kan bestaan wanneer de ene ondernemer vrijwel uitsluitend niet-economische activiteiten verricht en de andere ondernemer alleen diensten levert ten behoeve van die niet-economische activiteiten. Volgens de Hoge Raad moeten ook prestaties die dienstbaar zijn aan niet-economische activiteiten worden meegewogen bij de beoordeling van economische verwevenheid.
De Hoge Raad verklaarde de beroepen in cassatie ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van de proceskosten van de bv. Hiermee is bevestigd dat de fiscale eenheid tussen de stichting en de bv blijft bestaan op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.