Uitspraak
22 februari 1989
EN
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 6 januari 1987 betreffende een door haar voor het tijdvak augustus 1984 gedaan verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.
Bij koopovereenkomst van 2 mei 1984 kocht de B.V. ten behoeve van haar filiaal in [Z] van [B] B.V. te [R] een bedrijfspand gebouwd als autowerkplaats annex showroom aan de [a-straat 1] te [Z] voor een prijs van f 520.000,-- exclusief omzetbelasting, welke prijs gedeeltelijk zou worden voldaan door middel van de levering van auto's en caravans. Omdat de financier van de B.V. – de Rabobank te Winkel – geen kredieten meer wenste te verstrekken, heeft de B.V. zich gewend tot de Friesch-Groningse Hypotheekbank en de Nederlandsche Middenstands Bank ten einde een financiering voor de aankoop van het onroerend goed alsmede een bedrijfsfinanciering te verkrijgen. Genoemde banken waren hiertoe bereid, mits het filiaal te [Z] in een afzonderlijke B.V. zou worden ondergebracht. Daartoe is op 24 juli 1984 belanghebbende opgericht. Belanghebbende is vervolgens een automobielbedrijf gaan exploiteren. Enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende is [A] te [Z].
Bij haar aangifte omzetbelasting voor de maand augustus 1984 heeft belanghebbende ter zake van leveringen van goederen door [X] B.V. in aftrek gebracht:
a. f 7.600,-- ter zake van de levering van 11 auto's op 22 juni 1984
b. f 14.250,-- ter zake van de levering van 18 caravans op 30 augustus 1984
c. f 5.196,-- ter zake van de levering van onderdelen op 30 augustus 1984
d. f 3.990,-- ter zake van de overname van inventaris op 30 augustus 1984.
Bij haar aangifte over de maand september 1984 heeft belanghebbende een bedrag van f 54.219,36 in aftrek gebracht ter zake van leveringen van auto's door [X] B.V. op respectievelijk 1, 2, 7 en 20 september 1984.
Op 4 oktober 1984 is [X] B.V. te [Q] in staat van faillissement verklaard.
In oktober 1984 heeft belanghebbende van de Rabobank te Winkel 103 auto's en een computer gekocht, afkomstig uit het faillissement van [X] B.V."
Het was de bedoeling dat belanghebbende het filiaal in [Z] over zou nemen en dat [X] B.V. haar bedrijf te [Q] met de overige filialen zou voortzetten. Het faillissement van laatstgenoemde B.V. kwam geheel onverwacht. In oktober 1984 heeft belanghebbende de door de Rabobank aangeboden goederen uit het faillissement van [X] B.V. aangekocht vanwege de aantrekkelijke prijsstelling en de kredietfaciliteiten via de importeur van Toyota automobielen. Er is echter geen sprake van de overname van de rest van het door [X] B.V. uitgeoefende bedrijf. Bovendien heeft de Rabobank de ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting afgedragen.
In het kader van de overdracht van het filiaal te [Z] zijn aan belanghebbende slechts onderdelen en inventaris geleverd. Tot de voorraad behoorden niet de in augustus en september 1984 aangekochte auto's en caravans. De desbetreffende aankopen betroffen normale zakelijke transacties met [X] B.V. te [Q]. De caravans en een aantal auto's zijn speciaal aangekocht om de verplichtingen uit het koopcontract met [B] B.V. na te komen; normaal handelt belanghebbende niet in caravans. De overige auto's zijn aangekocht voor directe aflevering aan afnemers.
Ter zitting is hieraan nog toegevoegd:
Het pand aan de [a-straat 1] te [Z] is blijkens het voorlopig koopcontract gekocht door [X] B.V., de levering vond echter plaats aan belanghebbende. Aan [B] B.V. is uiteindelijk meer in natura betaald dan aanvankelijk was afgesproken.
De fakturen van 22 juni 1984 zijn gericht aan [X] B.V. i.o. Waarschijnlijk is de daarbij in rekening gebrachte omzetbelasting eerst bij de aangifte over augustus 1984 in aftrek gebracht omdat er niet eerder aangifteformulieren zijn verstrekt. Na het faillissement van [X] B.V. heeft belanghebbende zich verplicht de lopende orders over te nemen.
Tussen [X] B.V. en belanghebbende bestond geen fiscale eenheid in de normale zin van het woord. De inspecteur beroept zich ten onrechte op artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968; er is immers geen sprake van ondernemers die anders niet belastingplichtig zouden zijn.
De inspecteur heeft daartegenover gesteld, zakelijk samengevat:
Belanghebbende heeft het bedrijf van [X] B.V. voortgezet. Vanaf het moment dat de Rabobank liet doorschemeren geen financieringen meer te verstrekken zijn de aktiva en voorraden van de oude B.V. overgedragen aan de nieuw opgerichte B.V. Bovendien heeft belanghebbende van de oude B.V. een deel van het personeel, het dealerschap van Toyota en de klantenkring overgenomen. De leiding bleef in handen van [A].
Subsidiair wordt gesteld dat belanghebbende en [X] B.V. tot 4 oktober 1984 een fiscale eenheid vormden in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Ter zitting heeft de inspecteur hier nog aan toegevoegd dat [X] B.V. de ter zake van de onderhavige leveringen in rekening gebrachte omzetbelasting niet heeft afgedragen en dat aan haar geen naheffingsaanslag is opgelegd aangezien zij failliet is gegaan en niet solvabel was."
Belanghebbende is op 24 juli 1984 opgericht. [X] B.V. heeft aan belanghebbende de in geding zijnde leveringen verricht. Deze B.V. is op 4 oktober 1984 in staat van faillissement verklaard. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting blijkt dat alle aandelen in [X] B.V. en in belanghebbende gehouden werden door [A]. [A] is directeur van beide B.V.'s.
Beide B.V.'s verrichtten dezelfde activiteiten namelijk de exploitatie van een automobielbedrijf. Uit het vorenoverwogene volgt dat tussen [X] B.V. en belanghebbende in de periode vanaf 24 juli 1984 tot 4 oktober 1984 een zodanige verwevenheid op financieel, organisatorisch en economisch terrein bestond dat beide B.V.'s op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) voor de heffing van de omzetbelasting als één onderneming dienen te worden aangemerkt. Dit houdt in dat [X] B.V. met betrekking tot de in evenbedoelde periode aan belanghebbende verrichte leveringen van goederen ten onrechte omzetbelasting in rekening heeft gebracht. De aldus aan belanghebbende uitgereikte fakturen voldoen derhalve niet aan de daaraan in artikel 35, lid 1, letter g, van de Wet gestelde voorwaarden, zodat de daarop vermelde omzetbelasting op grond van artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet niet voor aftrek in aanmerking komt.
Voor zover het betreft de op 22 juni 1984 verrichte levering van auto's door [X] B.V. moet in het licht van voormelde omstandigheden worden aangenomen dat de auto's zijn geleverd aan [X] B.V. handelend onder de naam [X] B.V., waaruit volgt dat deze levering voor de heffing van omzetbelasting betekenis mist. Ook in dit geval is derhalve ten onrechte omzetbelasting op de faktuur vermeld en is deze omzetbelasting ten onrechte in aftrek gebracht".