ECLI:NL:HR:2019:1132
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en beslist over wettelijke rente
Belanghebbende had een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in procedures bij de Rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof had een lagere vergoeding vastgesteld en geweigerd wettelijke rente over het griffierecht toe te kennen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld over de redelijke termijn en dat de vergoeding van immateriële schade verhoogd moest worden tot €1.500. Tevens besliste de Hoge Raad dat wettelijke rente verschuldigd is over de immateriële schadevergoeding en het griffierecht indien deze bedragen niet tijdig worden betaald, ingaand vier weken na de uitspraak van respectievelijk de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof uitsluitend voor zover het de immateriële schadevergoeding en de wettelijke rente betreft en deed de zaak af. Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staat in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatieberoep.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de redelijke termijn en de vergoeding van wettelijke rente bij overschrijding daarvan in bestuursrechtelijke procedures, met name in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding tot €1.500 en beslist over de wettelijke rente en griffierechtvergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn.