Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van België tot overname van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 8 jaar die aan de veroordeelde in België is opgelegd wegens medeplegen van de invoer van een grote hoeveelheid hasj en het leiding geven aan een criminele organisatie. De veroordeelde betwistte de overname van de strafuitvoering in Nederland en stelde onder meer dat de Belgische uitspraak in hoger beroep als een verstekvonnis moest worden aangemerkt omdat het hoger beroep niet door hem of zijn gemachtigde raadsman was ingesteld, maar door een raadsman die daartoe door zijn zoon was gemachtigd.
De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. Het beroep werd verworpen en de overname van de strafuitvoering werd bevestigd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, en uitgesproken op 9 juli 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de overname van de tenuitvoerlegging van de Belgische gevangenisstraf.