Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2016, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen. De advocaat van de betrokkene diende een schriftuur in, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de betrokkene onvoldoende belang bij het cassatieberoep had of de klachten niet tot cassatie konden leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 9 juli 2019. Hiermee blijft het vonnis van het gerechtshof in stand en wordt de vordering tot ontneming bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.