Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake mishandeling. De klacht richtte zich op het bewijs dat de aangeefster door de verdachte aan de arm werd vastgepakt, getrokken en tegen een deurpost en muur werd geduwd, waarbij pijn of letsel zou zijn toegebracht.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel van cassatie niet tot cassatie kan leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep wordt gevolgd.
Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2017 in stand en wordt het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De uitspraak is gedaan door de Hoge Raad op 9 juli 2019, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; het arrest van het gerechtshof blijft in stand.