ECLI:NL:HR:2019:1167

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
19/01711
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 1:204 lid 3 BWArt. 1:377b BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak vervangende toestemming erkenning kind

In deze zaak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende vervangende toestemming tot erkenning van een kind. De man en de bijzondere curator, betrokken partijen in het geding, hebben geen verweerschrift ingediend. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld omdat de klachten onvoldoende belanghebbendheid vertoonden en klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Hierbij is verwezen naar eerdere uitspraken en het standpunt van de Procureur-Generaal. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Snijders en Kroeze en is in het openbaar uitgesproken door raadsheer Polak op 12 juli 2019. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de klachten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01711
Datum12 juli 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een geheim adres,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
1. [de man] ,
wonende te Leeuwarden,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen,
2. Mr. R.A. Schütz, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [het kind] ,
kantoorhoudende te Leeuwarden,
BELANGHEBBENDE in cassatie,
hierna: de bijzondere curator,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/17/148801/FA RK 16-735 van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juli 2016, 12 oktober 2016 en 21 februari 2018;
b. de beschikking in de zaak 200.239.314/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2019.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man en de bijzondere curator hebben geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op dat standpunt gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3-5).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 juli 2019.