ECLI:NL:HR:2019:1189
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade en rente bij overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën en de Staat over een naheffingsaanslag en betaalde belasting in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Na procedures bij de Rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer de vraag of de redelijke termijn van berechting was overschreden en of belanghebbende recht had op vergoeding van immateriële schade en wettelijke rente over betaalde griffierechten. Het Hof had de vergoeding van rente over het griffierecht afgewezen, wat de Hoge Raad onjuist achtte.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof voor zover het de vergoeding van immateriële schade en wettelijke rente betrof. De vergoeding van immateriële schade werd verhoogd tot in totaal € 4.000, verdeeld tussen de Inspecteur en de Staat. Tevens werd bepaald dat wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad moet worden vergoed indien betaling uitblijft.
Daarnaast werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën en de Staat ieder de helft van het griffierecht van € 508 aan belanghebbende moeten vergoeden. De kosten van het cassatiegeding werden eveneens aan de Staat en de Staatssecretaris opgelegd.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de redelijke termijn en de vergoeding van immateriële schade en rente in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade tot € 4.000 en bepaalt dat wettelijke rente vanaf vier weken na uitspraak moet worden vergoed.