ECLI:NL:HR:2019:1220
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen vaste inrichting in Zuid-Korea voor toezicht op bouw boorschip
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam voor een wereldwijd opererende onderneming in offshore boorwerkzaamheden, was in 2010 als toezichthouder betrokken bij de bouw van een boorschip in Zuid-Korea. Hij verbleef minder dan 183 dagen in Zuid-Korea en gebruikte kantoorruimte van de opdrachtgever in dat land.
De kern van het geschil betrof de vraag of de werkzaamheden van belanghebbende toerekenbaar waren aan een vaste inrichting van zijn werkgever in Zuid-Korea, hetgeen recht zou geven op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat geen sprake was van een vaste inrichting, omdat de toezichthoudende werkzaamheden geen essentieel deel vormden van de winstgenererende activiteiten van de onderneming en de onderneming geen omzet in Zuid-Korea behaalde.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten tegen het oordeel dat de werkzaamheden niet kwalificeren als vaste inrichting op grond van artikel 5, lid 1 en lid 2, aanhef en letter h, van het belastingverdrag Nederland-Zuid-Korea. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; er is geen vaste inrichting in Zuid-Korea en geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.