ECLI:NL:HR:2019:1224
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt proceskostenvergoeding na intrekking prematuur beroep in belastingzaak Curaçao
Belanghebbende kreeg in 2016 navorderingsaanslagen opgelegd over het jaar 2009 door de Inspecteur der belastingen op Curaçao. Tegen deze aanslagen stelde belanghebbende bezwaar en beroep in. Tijdens de beroepsprocedure werden de aanslagen verminderd conform het standpunt van belanghebbende. Vervolgens trok belanghebbende het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao kende deze vergoeding toe, maar het Gemeenschappelijk Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroep prematuur was ingesteld, namelijk vóór het verstrijken van de wettelijke termijn voor uitspraak op bezwaar.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep door de intrekking niet-ontvankelijkheid niet uitsluit en dat de proceskostenvergoeding terecht was toegekend. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gemeenschappelijk Hof en bevestigde de uitspraak van het Gerecht. Tevens veroordeelde de Minister van Financiën van Curaçao tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in cassatie, en de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten voor het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de proceskostenvergoeding aan belanghebbende na intrekking van het prematuur ingestelde beroep en vernietigt het arrest van het Gemeenschappelijk Hof.