ECLI:NL:HR:2019:1253

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
18/03648
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Belastingverdrag Nederland-België 19 oktober 1970Belastingverdrag Nederland-België 5 juni 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999

Belanghebbende uit België maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999. Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad werd de zaak opnieuw behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, dat de aanslag handhaafde.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die de middelen van het cassatieberoep beoordeelde. De Hoge Raad verwierp de middelen op dezelfde gronden als in een gelijktijdig arrest over een vergelijkbare zaak tussen dezelfde partijen.

De Hoge Raad oordeelde dat het toepasselijke belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 geen aanleiding gaf tot vernietiging van het hofvonnis. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het hofvonnis blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/03648
Datum19 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], België, (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2018, nr. 17/00412, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 1999 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:673, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-09/00406), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door I. de Roos, advocaat te Amsterdam.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/03647. Hetgeen in dat arrest is overwogen met betrekking tot het Belastingverdrag Nederland – België van 5 juni 2001 geldt evenzeer met betrekking tot het voor het onderhavige jaar van toepassing zijnde Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.