Conclusie
Nummer22/02608
Het cassatieberoep
“medeplegen van oplichting”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. [1]
De middelen
De zaak
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting. De verdachte en zijn medeverdachten hebben een [A] benaderd en dit op slinkse wijze laten geloven dat het door hen gebruikte bedrijf [B] rechtsgeldige debiteuren had en deze laten voorfinancieren. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich daarbij bediend van valse facturen. De hoogte van de benadeling bedraagt ruim 120 duizend euro.” [3]
De bewezenverklaring
namens het bedrijf [E] B.V. ( [B] BV) contact gelegd met [A] B.V. en
namens [B] BV een overeenkomst met [A] B.V. afgesloten waarbij werd overeengekomen dat [A] B.V. facturen van [B] BV gericht aan klanten van [B] BV aankoopt en
als debiteuren [C] BV en/of [D] BV aangeleverd en
formulieren "Verklaring tot opdracht betalingsadres" aan [A] B.V. die (mede) (valselijk) ondertekend waren door [betrokkene 1] (namens [C] BV) en door [betrokkene 2] (namens [D] BV gestuurd naar [A] B.V. en
4 facturen van [C] BV (ter waarde van ongeveer 69.104 euro) en 2 facturen van [D] BV (ter waarde van ongeveer 52.088 euro) verkocht aan [A] B.V.,
Het procesverloop
Het horen als getuige van de medeverdachte [medeverdachte 3]
Het horen als getuige van de medeverdachte [medeverdachte 1]
Het horen als getuige van de medeverdachte [medeverdachte 2]
Het horen als (a charge) getuige van [betrokkene 3]
Het horen als (a charge) getuige van [betrokkene 4]
Het horen als (a charge) getuige van [betrokkene 5]
Het laten opmaken van een reclasseringsrapport.
[medeverdachte 1]
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 3] .”
“Ad b: ondervragingsrecht (‘wettig bewijs’)
is sprake van een doorslaggevende betekenis van die verklaring?
is sprake geweest van compenserende factoren, waaronder procedurele waarborgen?
voor [medeverdachte 1] geldt
allereerst dat hij letterlijk zegt dat het enkel zijn "vermoeden is" dat [verdachte] ' [medeverdachte 3] ' is, "omdat hij een van de hoofdrolspelers is in deze zaak". Op welke manier, dat kan hij dus niet zeggen, laat staan op grond van "feiten of omstandigheden, welke hij zelf waargenomen of ondervonden heeft" en
bovendien heeft [medeverdachte 1] deze verklaring als verdachte meer dan genuanceerd door als getuige, voor een rechter, te bevestigen (en dat heeft veel meer waarde voor het EHRM) dat
alleen hijzelf, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een Duitse bankier betrokken waren bij de oplichting van de [A] B.V.
die Duitser naar de naam ' [naam 1] ' luistert en dat dat de naam betreft die cliënt niet durfde te noemen, maar hijzelf wel.
voor cliënt geldt dat zijn verklaring bij de politie is afgelegd in een andere zaak, op 9 september 2015, terwijl de belastende chats van de gebruiker van [telefoonnummer] (@)s.whatsapp.net in de eerder genoemde whatsappgroep beginnen op 21 oktober 2016! Nog daargelaten dat die whatsapp gebruikt kan worden zonder over de telefoon, met de sim-kaart van het nummer [telefoonnummer] , zelf te beschikken (denk onder meer aan de web-versie van Whatsapp of het overzetten van de applicatie van Whatsapp naar een hele andere telefoon): die verklaring is niet, althans niet zonder meer redengevend voor het bewijs van een feit van meer dan een jaar later!
Ad c: betekenis en waarde van de verklaring van [medeverdachte 3]
Ad d: de rol van cliënt bij de oplichting
De bewijsvoering
[medeverdachte 1] heeft tijdens het verhoor bij de politie op 7 november 2017 een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid en die van de medeverdachten bij deze oplichting. Daarbij heeft hij verklaard dat [medeverdachte 3] en [verdachte] samen bezig zijn geweest met oplichten van [A] ; [verdachte] is een van de ‘hoofdrolspelers’ in deze zaak. Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat ‘ [verdachte] pas later in beeld is gekomen’, maar deze enkele – zo algemeen geformuleerde – verklaring geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de eerder bij de politie afgelegde verklaring.
[medeverdachte 3] heeft tijdens het verhoor bij de politie op 11 april 2017 verklaard dat hij bij [A] is langs gegaan. Als het bedrijf spullen zoals bankafschriften wilde hebben, werden deze aangeleverd door [verdachte] of [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] bleek op 25 november 2016 tijdens zijn detentie in de [PI] , in het bezit te zijn van een mobiele telefoon. Bij het uitlezen van de telefoon bleek dat er vanaf deze telefoon onder meer een bericht was verstuurd over ‘CS’ waarbij werd opgemerkt dat 'die [betrokkene 6] de facturen moest maken. Het hof begrijpt deze mededeling aldus dat met CS wordt bedoeld ' [A] ' en dat met 'die [betrokkene 6] , gelet op de Turkse nationaliteit en de (door [medeverdachte 1] fonetisch gespelde) voornaam van [verdachte] , wordt bedoeld [verdachte] . Het is dus volgens dit bericht [verdachte] die voor [A] facturen moest maken.
Op de telefoon van [medeverdachte 2] is een WhatsApp-groepsapp aangetroffen tussen [verdachte] (zoals vastgesteld aan de hand van het hiervoor genoemde telefoonnummer) en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] met de naam ‘ [naam 2] '. In deze groepsapp wisselden zij tussen 21 en 24 oktober 2016 informatie uit over het inloggen op door [medeverdachte 2] aangemaakte e-mailadressen, waarbij [verdachte] actief aan [medeverdachte 2] vroeg wat het wachtwoord was voor de e-mails die deze had aangemaakt.
Een nadere omschrijving van deelklacht b van het eerste middel
De beoordeling van deelklacht b van het eerste middel
“deze verklaring steun vindt in de (…) onder (i), (iii) en (iv) genoemde feiten en omstandigheden, die in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd”.Daarbij heeft het hof in het bijzonder gewezen op
“het onder (iii) genoemde appbericht, waarmee de verklaring van [medeverdachte 3] over de rol van [verdachte] als degene die valse stukken aanleverde in een objectief bewijsmiddel steun vindt”. Bovendien overwoog het hof dat
“onder deze omstandigheden het feit dat de verdediging [medeverdachte 3] niet als getuige heeft kunnen horen onverlet laat dat de procedure in haar geheel voldoet aan (…) het recht op een eerlijk proces”. Het hof is hierbij niet ingegaan op het (eventuele) bestaan c.q. bieden van compenserende factoren voor het ontbreken van een gelegenheid om [medeverdachte 3] te ondervragen.
medeop de door [medeverdachte 3] afgelegde verklaringen heeft gegrond. Uit de bewijsvoering leid ik bovendien af dat de verklaringen van [medeverdachte 3] voor de bewezenverklaring van ‘significant gewicht’ zijn geweest. [7]