Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juli 2018, waarin hij werd veroordeeld voor seksueel binnendringen van een minderjarige die aan zijn zorg was toevertrouwd, op grond van artikel 244 juncto Pro artikel 248 lid 2 Sr Pro.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de klacht dat het hof niet had gereageerd op de niet-ontvankelijkheid van de verklaringen van de slachtoffers A en B, alsmede op de afwijzing van een getuigenverzoek. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.