Uitspraak
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 september 2019.
Hoge Raad
Betrokkene verbleef onder een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz wegens een diagnose van afhankelijkheid van meerdere middelen. De geneesheer-directeur besloot deze machtiging om te zetten in een voorlopige machtiging omdat betrokkene de voorwaarden niet zou hebben nageleefd, onder meer door gebruik van cocaïne en andere drugs.
De rechtbank Limburg wees het bezwaar van betrokkene tegen deze omzetting af, stellende dat sprake was van een stoornis van de geestvermogens en dat de voorwaarden waren overtreden. Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onvoldoende ex nunc had getoetst, dat verslaving op zichzelf geen stoornis van de geestvermogens is en dat het besluit van de geneesheer-directeur onvoldoende gemotiveerd was.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had waarom sprake was van een stoornis van de geestvermogens en dat de toetsing ex nunc ontbrak. Ook was niet vastgesteld dat de geneesheer-directeur zich op de hoogte had gesteld van de actuele geestelijke toestand van betrokkene. Daarnaast was het oordeel over de overtreding van de voorwaarden onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank Limburg en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij een volledige ex nunc toetsing moet plaatsvinden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg en wijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.