Uitspraak
wonende te [woonplaats] en thans verblijvende te [plaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 juni 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een betrokkene die op 12 augustus 2016 onvrijwillig werd opgenomen op basis van een voorlopige machtiging, die was omgezet uit een eerder verleende voorwaardelijke machtiging. De geneesheer-directeur had de betrokkene pas na zes weken schriftelijk geïnformeerd over deze omzetting, terwijl de wet een termijn van vier dagen voorschrijft.
De rechtbank had geoordeeld dat ondanks deze overschrijding de gedwongen opname noodzakelijk bleef en de voorwaardelijke machtiging als voorlopige machtiging werd voortgezet tot 21 november 2016. Betrokkene stelde in cassatie dat deze niet-naleving van de termijn in strijd was met de wet en het EVRM, en dat dit tot invrijheidstelling had moeten leiden.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechter in het kader van art. 14e lid 1 Wet Bopz de rechtmatigheid van de opname en de grondslag daarvan moet beoordelen, maar dat de niet-naleving van de termijn voor schriftelijke kennisgeving niet leidt tot invrijheidstelling. Wel erkende de Hoge Raad dat betrokkene immateriële schade kan lijden door de onzekerheid over de rechtmatigheid van zijn verblijf en dat vergoeding daarvan kan worden gevorderd op grond van onrechtmatige daad of via de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de voortzetting van de voorlopige machtiging ondanks de overschrijding van de kennisgevingstermijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voortzetting van de voorlopige machtiging ondanks de niet-tijdige schriftelijke kennisgeving.