Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2017. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Buruma en Boerlage, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 september 2019.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.