ECLI:NL:HR:2019:1308

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
9 september 2019
Zaaknummer
18/01399
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 457 SvArt. 470 SvArt. 80a RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek in zaak medeplegen valsheid in geschrift en gebruik vals geschrift

De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de aanvraagster is veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik van vals geschrift. De veroordeling betrof een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 120 uur.

De aanvraag tot herziening was gebaseerd op verklaringen van getuigen en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarvan werd gesteld dat deze nieuwe gegevens bevatten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die tot vrijspraak hadden kunnen leiden.

De Hoge Raad oordeelde echter dat deze verklaringen en de uitspraak van de bestuursrechter geen nieuw gegeven vormen in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. De verklaringen wijken niet af van eerdere verklaringen en leveren geen ernstige aanwijzing op dat de uitkomst van het strafproces anders had moeten zijn.

Op basis hiervan wees de Hoge Raad het verzoek tot herziening af en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling. De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd dat het verzoek ongegrond was.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 september 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van een nieuw gegeven dat tot vrijspraak had kunnen leiden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01399
Datum10 september 2019
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 maart 2015, nummer 22/001067-13, ingediend door N. Gonzales Bos, advocaat te Amsterdam,
namens
[de aanvraagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de aanvraagster.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Den Haag van 28 februari 2013 – de aanvraagster ter zake van 1. “Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 2. “Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat indien de rechter bekend was geweest met de inhoud van de verklaringen zoals de getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 1] die hebben afgelegd op de openbare zitting van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2015, alsmede met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2016, nr. 13/754 WW, ECLI:NL:CRVB:2016:1992, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvraagster.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal F.W Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv Pro worden afgewezen.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 september 2019.