Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Wettelijk kader
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, waarbij het hof het feit kwalificeerde als een misdrijf op grond van artikel 11, tweede lid, Opiumwet. De hoeveelheid hennep betrof niet meer dan dertig gram. De verdachte stelde cassatie in tegen deze kwalificatie en de strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het feit kwalificeerde als een misdrijf, aangezien volgens artikel 11, zesde lid, Opiumwet het bezit van maximaal dertig gram hennep een overtreding betreft en geen misdrijf. Tevens werd geoordeeld dat het hoger beroep van de verdachte terecht ontvankelijk werd verklaard, omdat de tenlastelegging ook een misdrijf omvatte.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie, strafbaarheid en strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en afdoening van deze punten. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting van kwalificatie en strafoplegging.