ECLI:NL:HR:2019:1324
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie tegen kosteninvordering vastgoedheffing
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam afwees. Het geschil betrof de door de invorderingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag ook geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de kosteninvordering bevestigd.