ECLI:NL:HR:2019:1326
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake kosten van vervolging door invorderingsambtenaar
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2019, waarin hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam over door de invorderingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de kosten van vervolging blijven in stand.