Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2017. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat deze niet zijn ingediend.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 29 januari 2019, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van tijdig ingediende middelen van cassatie.