Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij.
De betrokkene heeft een schriftuur ingediend via zijn advocaat, maar deze schriftuur bevatte geen duidelijke en stellige klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een vormvoorschrift door de bestreden rechterlijke uitspraak. Bovendien heeft de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet voldoet aan de vereisten om als cassatiemiddel te worden aangemerkt en dat de betrokkene daarom niet-ontvankelijk is in het beroep. Het beroep wordt verworpen en de beslissing van het hof blijft in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Boerlage, tijdens een openbare terechtzitting op 17 september 2019.
Uitkomst: De betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig en niet-adequaat indienen van middelen.