ECLI:NL:PHR:2021:595

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
19/01688
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1:16 lid 2 SvArt. 36e SrArt. 437 lid 2 SvArt. 511h SvArt. 511i Sv
Verwijzingen
13 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak wegens niet tijdig indienen middelen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene €171.659,46 bedraagt, maar stelde de verplichting tot betaling aan de staat op nihil. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat het arrest vernietigd diende te worden omdat de veroordeling in de strafzaak niet in stand kon blijven. Dit werd echter niet als een geldig cassatiemiddel aangemerkt, omdat het niet voldeed aan de eisen van een stellige en duidelijke klacht over schending van rechtsregels of vormvoorschriften.

De Hoge Raad oordeelde dat in ontnemingszaken gebreken in de hoofdzaak niet automatisch leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. Bovendien was het cassatieberoep niet tijdig ingediend conform de wettelijke termijnen, waardoor betrokkene niet-ontvankelijk werd verklaard.

De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep van betrokkene wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, conform de artikelen 437 lid 2 en 511h Sv in verbinding met artikel 511i Sv.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig en onjuist indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01688 P
Zitting20 april 2021
(bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 20 maart 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 171.659,46 en de verplichting tot betaling aan de staat op nihil gesteld.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/01690). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht heeft in de ontnemingszaak het standpunt ingenomen dat het arrest in de ontnemingszaak dient te worden vernietigd aangezien de veroordeling in de strafzaak niet in stand kan blijven.
4. Voor zover hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd met betrekking tot de ontnemingszaak al is aan te merken als een middel, voldoet het niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [1] In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de hoofdzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. [2] In dat geval moet het voorschrift van artikel 557 lid 4 Sv Pro (oud) [3] jo artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van artikel 437 lid Pro 2, in verbinding met artikel 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348. Zie ook A.J.A. van Dorst,
2.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4).
3.Sinds 1 januari 2020: art. 6:1:16 lid 2 Sv Pro.