Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake openlijke geweldpleging met letsel na een stapavond in Gorinchem. De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken. Het hof bevestigde dit oordeel, maar vernietigde het vonnis deels ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof in zijn strafmotivering niet voldeed aan artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat het geen specifieke redenen gaf voor de keuze van de vrijheidsbenemende straf. Dit verzuim leidt volgens artikel 359, achtste lid, tot nietigheid van het arrest.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de straf. Het overige beroep werd verworpen.
De zaak illustreert het belang van een deugdelijke motivering bij strafoplegging, vooral bij vrijheidsbenemende straffen, en bevestigt de jurisprudentie dat het ontbreken daarvan leidt tot nietigheid en terugwijzing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende strafmotivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.