ECLI:NL:PHR:2019:595

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
18/01513
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 6 SvArt. 359 lid 8 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende strafmotivering bij openlijke geweldpleging

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken wegens openlijke geweldpleging. De verdachte was met een groep betrokken bij een geweldsincident waarbij het slachtoffer, alleen en liggend op de grond, tegen het hoofd werd getrapt.

De verdachte had eerder soortgelijke feiten gepleegd, wat meewoog in de strafoplegging. De politierechter legde een straf op die het hof bevestigde, met aanvullende gronden over de ernst van het geweld en de omstandigheden.

In cassatie klaagt de verdediging dat het hof niet heeft voldaan aan de motiveringseis van artikel 359 lid 6 Sv Pro, omdat het hof niet expliciet heeft toegelicht waarom een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof inderdaad heeft verzuimd duidelijk te maken dat de opgelegde straf onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming betreft en waarom deze straf is gekozen. Dit leidt tot nietigheid van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft.

De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging, terwijl de overige onderdelen van het arrest in stand blijven.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/01513
Zitting18 juni 2019 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
G. Knigge
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1..Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 februari 2018 de verdachte wegens openlijke geweldpleging veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P. van Dongen en mr. R.J. Baumgardt, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2..Het middel

2.1
Het middel komt op tegen de strafmotivering en behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2
Het hof heeft de verdachte wegens openlijke geweldpleging veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof heeft daarbij het mondeling vonnis van de politierechter in eerste aanleg bevestigd, behalve voor zover het betreft de vordering van de benadeelde partij en met aanvulling van gronden ten aanzien van de strafoplegging. De strafmotivering van de politierechter luidt als volgt:
‘’Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechter heeft hierbij in het bijzonder het volgende overwogen.
Na een stapavond in Flashback te Gorinchem is de verdachte met een groep personen een groep achterna gegaan. Toen deze groep zich achter een deur veilig waande, heeft hij met zijn groep het slachtoffer, dat zich bij de achternagezeten groep wilde voegen, geslagen en geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk zinloos geweld, lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen dragen. Daarnaast draagt openlijk geweld bij aan de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De rechter heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij blijkens een op zijn naam staand uittreksel justitieel documentatie 24 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Alles overziend is de politierechter van oordeel dat genoemde straf passend en geboden is.’’
2.3
Uit het arrest van het hof blijkt het volgende:
‘’
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof in de strafmotivering de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Het hof heeft bij de hoogte van de straf mede gelet op de bijzondere kenmerken en de ernst van het toegepaste geweld. Het slachtoffer is (onder meer), terwijl hij op de grond lag, tegen zijn hoofd getrapt. Bovendien was het slachtoffer alleen op het moment dat hij werd mishandeld door de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.’’
2.4
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het in art. 359 lid Pro 6, eerste volzin, Sv opgenomen vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [1]
2.5
De hiervoor weergegeven strafmotivering bevat inderdaad in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Door te spreken over ‘’genoemde straf’’ dan wel ‘’de straf’’ heeft het hof in zijn overwegingen immers niet uitdrukkelijk doen blijken dat in dit geval alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Dat verzuim leidt volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad tot de daarop in art. 359 lid 8 Sv Pro gestelde nietigheid. Daarbij merk ik op dat het feit dat in de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter de strafoplegging eerst wordt vermeld en de strafmotivering daarna volgt, dat niet anders maakt.
4.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Tekst

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437; HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1774 en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196.