Conclusie
1..Inleiding
2..Het middel
Het vonnis waarvan beroep
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken wegens openlijke geweldpleging. De verdachte was met een groep betrokken bij een geweldsincident waarbij het slachtoffer, alleen en liggend op de grond, tegen het hoofd werd getrapt.
De verdachte had eerder soortgelijke feiten gepleegd, wat meewoog in de strafoplegging. De politierechter legde een straf op die het hof bevestigde, met aanvullende gronden over de ernst van het geweld en de omstandigheden.
In cassatie klaagt de verdediging dat het hof niet heeft voldaan aan de motiveringseis van artikel 359 lid 6 Sv Pro, omdat het hof niet expliciet heeft toegelicht waarom een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof inderdaad heeft verzuimd duidelijk te maken dat de opgelegde straf onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming betreft en waarom deze straf is gekozen. Dit leidt tot nietigheid van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft.
De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging, terwijl de overige onderdelen van het arrest in stand blijven.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.