Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot moord en medeplegen van opzettelijk brandstichten met gevaar voor goederen en personen.
De verdachte stelde onder meer dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en constateerde dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren tot elf jaren en elf maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 1 oktober 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.