Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden volstaan.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] had, althans dat het bewezenverklaarde opzet niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd TBS met dwangverpleging heeft opgelegd, althans dat het Hof het verweer strekkende tot het achterwege laten van oplegging van de TBS-maatregel ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Oplegging TBS
vijfde middelklaagt dat ’s hofs oordeel dat de post ‘Smartengeld’ van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 225.000,- (met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel) kan worden toegewezen ontoereikend is gemotiveerd.
Het geweldsmisdrijf dat de benadeelde partij is overkomen, heeft een zeer grote impact gehad op zijn leven. Hij heeft zeer ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen. Hij zal iedere dag de littekens op zijn benen, armen en andere lichaamsdelen zien en hij zal iedere dag met de beperkingen worden geconfronteerd, pijn lijden en jeuk hebben. Hij is niet meer in staat om onder meer te wandelen, hard te lopen, langdurig te staan, te hurken, te kruipen, zwaardere voorwerpen te tillen en kracht te zetten met zijn armen. De inspannings- en warmtetolerantie zijn verminderd. Hij is vanwege het letsel en de beperkingen in grote mate afhankelijk geworden van de hulp van derden. Hij is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geraakt. Voldoende aannemelijk is, op grond van de overgelegde stukken, dat hij ook op psychisch vlak problemen ondervindt. De rechtbank zal bij het bepalen van de omvang van het smartengeld dan ook rekening houden met de gestelde – en op grond van het toegebrachte letsel en de gruwelijke gevolgen van wat verdachte en zijn mededader/-uitlokker hebben aangericht de te verwachten - psychische klachten.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 441.292,29 (vierhonderdeenenveertigduizend tweehonderdtweeënnegentig euro en negenentwintig cent) bestaande uit €216.292,29 (tweehonderdzestienduizend tweehonderdtweeënnegentig euro en negenentwintig cent) als vergoeding van materiële schade en € 225.000,00 (tweehonderd vijfentwintigduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 230 (tweehonderddertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum die in het als bijlage achter dit arrest gehechte overzicht van de afzonderlijke posten is vermeld tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
grotendeelsop juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, maar tevens expliciet heeft overwogen ten aanzien van twee posten (reiskosten en verzorgingskosten) anders te oordelen dan de rechtbank, waarbij de post smartengeld niet is genoemd.
bij de Hoge Raad der Nederlanden