ECLI:NL:HR:2019:1360

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/01968
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte wegens ontbreken middelen cassatie

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2017. Echter heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn, zoals vereist op grond van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de termijn betekent dat het beroep niet kan worden ontvangen. Daarom verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Het arrest werd uitgesproken op 17 september 2019 door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president J. de Hullu, met raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01968
Datum17 september 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2017, nummer 22/000491-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 september 2019.