Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de interpretatie van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (RO) in samenhang met de Wet Bopz betreffende voorlopige machtigingen tot inbewaringstelling. De officier van justitie had vóór het einde van de looptijd van een voorlopige machtiging een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling ingediend. De rechtbank nam echter pas een beslissing nadat de looptijd van de machtiging was verstreken.
De vraag was of de rechtbank de tijd die in de tussentijd was verstreken, in mindering moest brengen op de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van betrokkene niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2018 in stand bleef. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in deze context zonder afwijking.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.