ECLI:NL:PHR:2018:1468
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijnverlenging voorlopige machtiging in psychiatrische inbewaringstelling
Betrokkene is op grond van een bevel tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank Limburg verleende een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Vóór het einde van de geldigheidsduur van deze machtiging verzocht de officier van justitie om een voorlopige machtiging tot voortzetting van de opname. De rechtbank verleende deze voorlopige machtiging voor de maximale termijn van zes maanden, zonder de periode tussen het verstrijken van de vorige machtiging en de beslissing in mindering te brengen.
Betrokkene stelde cassatieberoep in en voerde aan dat de rechtbank deze periode wel had moeten aftrekken, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin bij een te laat ingediend verzoek de termijnoverschrijding in mindering moest worden gebracht. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet verplicht is indien het verzoek tijdig is ingediend maar de rechtbank de beslistermijn overschrijdt zonder dat ontslag is verleend.
Daarnaast klaagde betrokkene over een onjuiste verwijzing van de rechtbank naar een rubriek in de geneeskundige verklaring omtrent het gevaar dat van hem uitgaat. De Hoge Raad verwierp dit bezwaar omdat het duidelijk was welke rubriek bedoeld werd en de rechtbank haar oordeel ook baseerde op aanvullende informatie tijdens de zitting.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissing van de rechtbank Limburg.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging blijft onverkort van kracht.